Spoortoebehoren hadden ze gestolen. Ze zijn de inbrekers, zeggen we altijd, maar het zijn nu echt de boeven. Van koper, vermoedelijk. In elk geval was er nog maar één spoor beschikbaar.
Dit keer werd niet omgeroepen dat er een storing was, maar een verstoring. De hele stoptrein kwam bij mij op schoot zitten. En ik was al laat. Op m’n hakken. Ja, vanwege mijn hakken. Tussen Nijmegen en Oss bleef ik rustig staan. Hoewel, op het balkon, als haringen in een ton. En er was werkelijk niemand die ook maar één goede grap maakte. Ik hield mijn mond. Deze mensen verdienden mijn grappen niet. Haha.
Tussen Oss en Den Bosch bemachtigde ik een klapstoeltje naast het meisje de vrouw met het gave haar. Wilde nog vragen waar ze naar de kapper ging, maar ik dacht meteen dat haar haar mij niet zou staan. Bedacht wel – zij had haar haar ook geverfd – dat ik mijn haar nu toch echt moest verven. Bijna elke haar die ik van mijn achterhoofd pluk is grijs. Dat doen was ooit een test en nu een tic. Het klapstoeltje klapte ik in. Het was nog voller dan voor Oss. Staand had ik meer ruimte.
Tussen Den Bosch en Tilburg was er een zee van ruimte. Niet alleen de frisse lucht deed me goed, ook kon ik eindelijk mijn Griekse yoghurt met rabarber eten, mijn ogen opmaken en met rechts mijn iPhone bedienen. Net toen ik lekker zat moest ik er al weer uit.
Op werk werd ik ziek. Dat hebben ze ook gedaan. De inbrekers.


