Achthonderd Lucebertpublicaties zijn er inmiddels, zo leerde ik. Dat zijn er – goddank – nog lang niet zoveel als boeken die hij zelf bezat: een kleine zevenduizend. Deze boeken staan in het 801e boek. Zo goed als allemaal. Gisteren presenteerden wij dat 801e boek.

Ooit ging er een ‘stokje’ rond. Dat heette ‘Geef mij een kijkje in uw boekenkast en ik zeg u wie u bent’. Ik deed daar aan mee. Die foto moet nog ergens staan, maar niet meer op de server. Bovendien heb ik die boekenkast van toen niet meer. De poëzie en secundaire literatuur staan beneden. Reisboeken en geschiedenis (niet zo heel veel) in de studeerkamer en de romans in de slaapkamer. (Hoewel ik het welbekende verhaaltje voor het slapen waardeer, ben ik met die indeling overigens nog niet erg tevreden.) Iedereen vond dat je de weblogger leerde kennen, door het zien van zo’n foto. Dat was ook wel een beetje zo.
Door te werken aan de boekenkast van Lucebert heb ik hem beter leren kennen. Ik vond dat ook echt. Ik ken sommige van zijn lezerssporen. Ik weet welke boeken hij had, die ik ook heb.
“Het is een grote mythologisering”, zei iemand die ik kende en ik dacht aan die 801 publicaties en aan het woord ‘Lucebertkunde’ dat ik gisteren voor het eerst hoorde.
“Dat klopt, maar hij is het vast waard”, zei ik, vol bewondering over zijn boekenkast en zijn persoon. Hij heeft iets bijzonders veroorzaakt, zo net na de oorlog. Mythologisering of niet, ik was er niet bij en ik had best even in die tijd willen kijken. Door zo’n boekenkast – en de bijzondere foto’s in het boek – lijkt het of ik mee mag kijken. Of ik even bij Lucebert mag zijn. In een tijd waarin iedereen beroemd is, kijkt het lekker op tegen mensen die in hun tijd écht beroemd waren.
Niet lang daarna schudde ik de hand van Tony Swaanswijk-Koek, de weduwe Lucebert. Ik vond dat bijzonder en mooi. Niet alleen ken ik nu Luceberts boekenkast, ook ben ik nog maar een handdruk verwijderd van Lucebert zelf. Het is jammer dat ik niet nog dichterbij kan komen.


