Het restaurant waar we gisteren waren zat vol. Propvol. Alle tafels bezet. De inrichting een beetje belegen. De kaart ook. Een Franse bistro, zoiets. De bediening was ook die van een Franse bistro: ongeïnteresseerd en niet al te netjes. (Op een gegeven moment zag ik zelfs dat het meisje haar vinger in een bakje mayonaise had; zoals de mensen die vier bier moeten dragen en ze maar tussen de vingers oppakken, met hun vingers in de glazen.) Wij hadden het gezellig, gelukkig, maar ineens voelde ik me heel erg Gordon Ramsay: ik had zin om het restaurant van een – door mij bedachte – ondergang te redden.
(Het zat vol, vandaar dat het restaurant niet gered hoeft te worden. Maar ik bedacht een financieel aan de grond zittend restaurant. En hoe het gered kon worden.)
De kaart stond zo vol, dat ik vrijwel zeker weet dat niet alles vers ter tafel kwam. Van mijn kikkerbilletjes proefde ik niets, omdat ze dreven in een overdreven saus, waarvan maar moeilijk te duiden was waar de smaak vandaan kwam, behalve dan van een bouillonblokje. De paté die mijn disgenoten hadden was zeer zeker niet huisgemaakt. En de geknutselde wortel die bij het zalmpannenkoekje van S. stond, kwam rechtstreeks van de Chinees. Bij elk hoofdgerecht een bosje alfalfa (of een andere sprout) op het stuk vlees. De saus die in mijn entrecôte – gewoon uitspreken met t, het is toch ook kooTdazuur – zat had een andere kleur dan die ernaast lag (weer een zee van saus) en toch smaakte die hetzelfde en de keuze die entrecôte te vullen met mosselen, waarvan ik nog even dacht dat dat misschien wel interessant zou kunnen zijn, vond ik bij nader inzien toch ook een heel vreemde. Bij het toetje natuurlijk de blaadjes munt, maar ook, welk toetje het ook was, granaatappelpitjes over het bord gestrooid. Niet lekker met chocoladesaus. En het personeel nog net zo chagrijnig als toen we binnenkwamen.
Graag had ik even in de keuken willen kijken – zoals Gordon ook altijd doet. Graag had ik het personeel even apart genomen om te vragen wat ze precies met dit restaurant zouden willen. Graag had ik in overleg met de kok de kaart aangepast. Graag had ik ervoor gezorgd dat de inrichting wat eigentijdser zou worden. Graag had ik geholpen ervoor te zorgen dat dit restaurant weer zou gaan stralen. Ik denk te weten hoe dat moet.
Waarmee ook aangetoond is dat Gordon Ramsay telkens hetzelfde trucje uithaalt dat ik inmiddels door heb.



naam en plaats?
Ik probeer een sociaal aanvaardbare formulering te verzinnen om “een andere kleur als” onder het voetlicht te brengen zonder pietluttig over te willen komen. Ik denk niet dat het me gaat lukken. En waarschijnlijk zou ik het alleen doen omdat ik meen een keer gelezen te hebben dat je nederlands hebt gestudeerd.
@Sarnix: Ik vind dat je het heel goed brengt. Dank. (En o, wat haat ik het als ik op dit soort fouten word gewezen.)
@roosje: Tja. Vind ik dan toch moeilijk. Omdat er blijkbaar veel mensen zijn die het restaurant wel de moeite waard vinden. Maar goed, Le Bibelot in Utrecht. Ergens aan de gracht.
Over taalperikelen gesproken: behalve de uitspraak is ook de spelling van het woord entrecote een mooi twistpunt voor puristen. Volgens het Groene Boekje en Van Dale is het woord zoveel vernederlandst dat we het zonder accent circonflexe moeten schrijven. Net als “controle”, maar in tegenstelling tot “t