Ik had mijn auto opgehaald. Eindelijk. Na een wasstraatje – the full treat – had hij er de brui aan gegeven. Starten deed ie nog wel, maar afslaan des te meer. Dat speelde zich rond mijn verhuizing af; niet dat dat handig was, maar het gebeurde gewoon. Omdat mijn oom de automonteur nu eenmaal geen garage is, maar wel lekker goedkoop, moet ik niet zeuren als het lang duurt voordat ik het ding weer op kan halen, maar gisteren reed ik weer vrolijk in mijn metallic – ja, ik heb goede zin! – auto. Op de valreep reed ik langs mijn oude huis voor de aller-, aller-, allerlaatste spullen – een kast, twee tuinstoelen, twee lampen en nog wat troepjes – die ik met gemak in mijn peugeootje kreeg. Dat verbaasde me zelf ook een beetje, eerlijk gezegd.
Thuis, even sjouwen, alles voor de deur op de galerij. Even naar binnen. Openslaande deuren open. Even rommelen en hup, aan de gang. Die kast kwam wel handig uit, want de drie nieuwe boekenkasten waren al vol en een vierde was zo snel even niet meer te krijgen. (Wel vervelend, trouwens. Daar moet nog een oplossing voor.) Telefoon ging, ik nam op en liep naar buiten. En ik z?g het gebeuren, maar ik was niet snel genoeg.
Klap!
Deur dicht.
Sleutels aan de binnenkant.
Ik buiten.
‘Ah, nee!’, riep ik tegen de andere kant van de telefoon en dat ik snel ging ophangen, want dat ik nu een probleem had.
Een allerliefste sms binnen een minuut nadat het gebeurde. Een fijn toeval.
Telefoon toevallig in mijn broekzak, omdat ik daarvoor dus aan het bellen was.
Vriendin met reservesleutels in restaurant.
Vriend op straat wiens fiets ik mocht lenen.
‘Misschien moet ik even iets eten,’ dacht ik ter plekke. Een onrustig kopje soep. Daarna op pad. ‘Bij moderne deuren kun je vaak van de buitenkant de deur openmaken, ook als de sleutels aan de binnenkant zitten,’ zei vriendin I., ‘bij mij in elk geval wel.’
‘Bij mij in elk geval niet,’ belde ik haar. En daarna mijn woonmensen. Zelf betalen, dat en dat bedrijf.
‘Hallo, met dat en dat bedrijf, dat is dan honderdvijftig euro.’
‘Ehm… ja, dan weet ik dat, ik bel zo wel terug als het nodig is.’
HONDERDVIJFTIG EURO. Dat is verdomme vijfhonderd gulden!
Heel even lag ik op mijn rug op de galerij. Tussen mijn spullen, naast de lege boekenkast. Waar moet ik toch al dat geld vandaan halen?
‘Wacht even met bellen. Wij komen eraan,’ sms’te vriendin I.
Daar stonden we. Aan de voorkant van mijn flat. Twee hoog. De openslaande deuren stonden nog wel open. De enige mogelijkheid was het balkon van de buren. Ik heb geen balkon, maar op het balkon van de buren zou je nog kunnen inschatten of je misschien naar mijn open deuren kon klimmen. Maar ja, de buren waren niet thuis.
Even liep ik naar de voordeur, toen vriend R. met heuglijk nieuws kwam: ‘Je buurvrouw is thuis! En ik durf het wel te proberen!’ Ik wilde het van niemand vragen om op tweehoog serieus gevaarlijke capriolen uit te halen, maar ik wilde wel naar binnen. En hij durfde, zei hij.
Met zijn vijven stonden we op het balkon van de buurvrouw. Ik vond het maar eng en ging even met de buurvrouw naar binnen. Kennisgemaakt hadden we al wel. Een welkomstkopjekoffie hadden we nog niet gedronken. Een kreet vanaf het balkon: ‘Ja! Hij is er!’
Dat kopje koffie komt nog wel een keer. Ik moest eerst Adriaantje belonen met een omhelzing en een bier.



Hoi Jenneke ik vind jou heel leuk!
Dat is nog eens goed, die openstaand ebalkondeuren…anders kost het idd een flinke smak geld…(zie ook hier: http://vike.web-log.nl/vike/2005/08/cute_chris_open.html)
oooow!
Avonturen!
Ja! Dat had ik ook. Maar dan zonder buurvrouw en al helemaal zonder openstaande balkondeuren.