Den Bosch dus. Waar we slenterden – ik kocht een potloodventjas omdat ik ‘m paste – en waar we in de hippe Verkadefabriek een hapje aten. Ons beider geld was op. Dat gaf een zeker cachet, maar zeer duidelijk een onverwachte wending aan de dag.
In Adr. Heinen, de boekwinkel met het sterretje en het haakje sluiten, liepen we binnen. I. voor werk en om te kijken, ik om te kijken. De afdeling po?zie deed me herinneren wat mijn vak ook alweer was. Dat gebeurt te weinig de laatste tijd. Ik herinnerde me hoe ik lang in boekwinkels kon blijven. Hoe ik bladerde in alles waar mijn oog op viel. Hoe ik altijd somber werd van alles wat ik nog wilde lezen. Maar hoe ik ook kon glimlachen over zo veel dingen die ik wist. Die ik nog steeds weet. Ik las waarom Gerrit Komrij het werk van Dirk van Bastelaere eigenlijk maar niks vindt. Ik begreep hem, maar was het niet met hem eens. Een mening en een waarom. En een aardig stukje radio op de Belg.
Een man sprak me aan. Hij kon horen dat we er verstand van hadden. Hij was benieuwd wat ik ging kopen. We stonden samen in de rij om te betalen; samen zeiden we dat het niet erg was dat de mevrouw door haar twee pasjes en verwisselde pincodes haar tijd nam. Ik kocht de nieuwe dichtbundel van Erik Spinoy, dichter, maar ik had ook les van hem. Bezield, zoals dat hoort. Een zinnetje op de achterflap – de achterflap! – bleef hangen: Staan we voortaan met lege handen in een cynische werkelijkheid zonder uitzicht? Mijn antwoord is altijd nee. Maar soms moet ik daaraan herinnerd worden.
Ook had ik Boze Wolven in mijn hand. Ik herinnerde me wie Fratsen van me leende, en hoe ik deze nooit meer terug zal krijgen. Ik kocht Boze Wolven en L.
Op de terugweg in de auto lachten we om verzonnen boektitels voor een bepaald boek waar I. aan werkt. We hanteerden een taal en een jargon dat er maar moeilijk weer uitging. In de Verkadefabriek had ik zelfs de serveerster op een manier aangesproken die haar de wenkbrauwen deed fronsen. Ook herinnerden we ons de tijd van toen we elkaar nog niet kenden. Toen we onze idealen vaker uitspraken. We werden serieus en spraken onze idealen uit. Er is niets, maar dan ook niets mis met idealen. Ik moet dat vaker doen. We concludeerden voorlopig.
Het is niet verkeerd om iets te willen betekenen.



“Idealism is what precedes experience; cynicism is what follows.”
Toe maar: op een dag in de aardigste cultuurtempel van Brabant en in de beste boekhandel.